Arendsnest
- Jan De Palmeneire

- 11 uur geleden
- 7 minuten om te lezen

Het is wat met al die herinneringen. Of ze helemaal correct zijn, dat betwijfel ik. Maar is dat erg, kun je je afvragen. Zolang het geen bewijsvorming is voor een proces tegen een vijfvoudig moordenaar, is het niet echt belangrijk of wat je je herinnert over die dag in 1973 echt wel helemaal juist is.
Maar ik weet wel dat het in het Arendsnest was. Of dat er vandaag nog is, weet ik niet. Soms rijd ik er voorbij, langs de Prins Boudewijnlaan, en dan gaat het te snel om te zien of ik nog een glimp kan opvangen van de plek waar ik lang geleden wel wat zaterdagen doorbracht.
Zo ook die zaterdag in november, in 1973. Ik was toen acht. Mijn vader hield van vissen. Niet de dieren zelf, maar het vangen ervan. Vissen. Met een lange stok, een draad eraan, en op het uiteinde een haakje. Hij had een hele uitrusting voor het vissen. Dat hing en stond in de garage. En als we samen gingen vissen, dan mocht ik meehelpen met het in de auto laden van al die spullen. Zo had hij een aantal vislijnen. Een geheel van stokken die in elkaar schoven. En op de uiteindes zat een zachte dop. Die lijnen zaten samen in een grote tas. De viszak. Die kon ik niet dragen. Toen nog niet, later wel. Ik mocht wel het brood dragen. En voor we vertrokken, keek ik ook altijd in zijn vissersbak. Dat vond ik een wonderbaarlijk ding. Het was een houten bak, met bovenaan een zachtbruin lederen kussen, om op te zitten. En dat kon je openklappen. Daarin zaten dan allemaal onderverdelingen, vakjes, waarin pennen lagen, haakjes, nylondraad, en een heleboel spullen waarvan ik niet wist waarvoor ze dienden. Des te meer fascineerden ze me. Ik had een zwak voor de kleine rubberen rondjes, met in het midden een fijn gaatje. Die dienden om op het einde van de vislijn te schuiven, en zo de nylondraad aan je lijn te houden.
En dan die pennen. Zo mooi. Op zo’n pen zaten kleine oranje fluo ringetjes. Die moest je tijdens het vissen goed in het oog houden. Als zo’n ringetje plots onder water verdween, had je beet, en moest je vliegensvlug de lijn ophalen, om de vis niet te laten ontsnappen.
Dat vissen zelf deed ik eigenlijk niet graag. Het duurde mij veels te lang. Er gebeurde eigenlijk niks, een hele namiddag lang. Het was wachten, wachten en nog eens wachten. Op een vis die het de moeite vond om een hap te doen naar de worm aan het haakje van de lijn van mijn vader.
Na twintig minuten wachten (dat was zowat het moment waarop ik het voor bekeken hield en begon rond te lopen) vroeg ik dan aan mijn vader:Bijten ze?
Hij keek dan rustig opzij in mijn richting, en glimlachte even.
Nu nog niet, maar dat komt nog wel, zei hij dan.
Mijn vader had veel geduld.Ik zal wat extra brood in het water gooien, zei ik dan.
In de zak die ik de hele tijd had mogen dragen, zaten wat oudbakken pistolets en stukken brood dat ik met mijn kleine handen tot bolletjes kneedde.
En die gooide ik dan in het water. Het was de bedoeling dat die dicht bij de dobber belandden. Zo lokte ik de vissen naar de lijn van mijn vader. Dan zouden ze aan het eten gaan, en in hun vissige dommigheid niet zien dat ze plots in het aas hadden gebeten, waarin een haak verstopt zat.
Au.
Ik heb altijd gedacht dat het wel pijn moet gedaan hebben, zo’n haak in je bek krijgen.
Enkele keren heb ik eens geprobeerd om de haak uit de bek van een gevangen vis te halen, maar daar was ik veel te flauw voor. Het beest was te glibberig, keek me aan met van die gigantische visogen, en hapte naar lucht als een gek. En hij flapperde met zijn vettige, natte staart tegen mijn handpalm.
Jakkes.
Nee, niks voor mij, dat vissen.
Maar toch hield ik ervan om mee naar dat Arendsnest te gaan. Het was een stuk van de wereld die ik niet kende.
Het gras was er anders dan in onze tuin. Langer, en groener.
Ik wist niet waarvoor het domein diende. Woonde hier iemand? We kwamen er nooit iemand tegen.
Er liepen wel ganzen en eenden rond. Vieze, luide beesten, vond ik dat. Overal lieten ze stront achter. In kleine zwarte hoopjes. Ik trapte er meestal in. Het zat dan zo tussen de gleuven van mijn blauwe kinderlaarzen. Botten eigenlijk, ik heb ze al mijn hele leven botten genoemd, dus waarom zou ik ze nu laarzen noemen. Blauwe botten had ik.
Ze kwamen tot net onder mijn knieën, en ze gaven me een veilig gevoel.
Ik liep ermee rond op het Arendsnest. Na een half uur vissen mocht ik van mijn vader wel wat rondlopen. Als ik het maar rustig deed. Want van al dat luide gestap rond de vijver moest mijn vader niks hebben. Dat joeg de vissen weg. En praten mocht ook niet. Hij had dan ook een grondige hekel aan van die voorbijkomende fietsers. Meestal wat oudere mannen, alleen, op de fiets. Die stopten dan als ze hem zagen zitten, zetten hun fiets tegen de witte betonnen afsluiting en vroegen, leunend over zo’n witte balk, veel te luid: En, bijten ze vandaag?
Hij haatte dat, mijn vader. Het joeg de vissen weg. En hij was naar hier gekomen om rustig op zijn gemak te zitten, weg van alles. Hier geen lawaai, geen auto’s, geen andere mensen, niets.
Alleen het ruisen van de wind door het riet, de eindeloos uitdeinende kringen op het water. En ik.
Nu nog niet, maar dat komt nog wel, zei hij dan, zonder zich om te draaien.
Om te laten zien dat hij het te druk had, en niet verder kon gaan met deze zinloze conversatie, begon hij wat in zijn visbak te rommelen, en te zoeken naar iets, of niks, totdat de man terug zijn fiets nam, en verder fietste.
Zo ging het elke keer.
En ik zat dan allang ergens tussen het riet, wat verderop, op zoek naar alles en niks tegelijk.
Het heeft lang geduurd voor ik wist wat huiveren betekende. Ik las het soms in Vlaamse filmpjes en in boeken: ‘de jongen keek door het raam en huiverde’. Het was pas vele jaren later dat ik zou beseffen dat ik toen al huiverde, op mijn acht jaar, daar in het Arendsnest, langs de waterkant. Als ik daar zo gehurkt langs de vijver zat, de wind speelde wat met het riet, ik keek naar de kringen op het water, van een blad dat was neergedwarreld, en een beetje verder zag ik mijn vader beheerst voor zich uitkijken naar de dobber, met zijn hand steeds in de aanslag, voor wanneer de vis zou bijten. Wel, toen, op dat moment, op die zaterdag in 1973, huiverde ik. Het was een rilling die zich traag van in mijn kleine blauwe botten kruipend over mijn rug naar mijn nek bewoog.
In mijn hand bewaarde ik altijd een bolletje brood, dat ik tevoren niet in het water had gegooid. Het was maar een vies ding, en het plakte wat, van het zweet in mijn kleine vuile kinderhanden.
En terwijl ik daar zo zat te huiveren, temidden van het ruisende riet, de voorbijglijdende eenden, en het onbestemde witte gebouw op de achtergrond (was het een kasteel?), stak ik het bolletje brood in mijn mond, en genoot, stilletjes, in mijzelf, en ik vond mezelf heel wat, temidden van die grootse pracht.
En plots gebeurde het. Hij riep niet, je merkte het amper, maar hij haalde bliksemsnel de lijn op, en zo zag ik als kleine achtjarige hoe mijn vader een vis uit het water haalde, met zijn lange bruine vislijn.
Ik snelde naar hem toe. Hij haalde vervolgens heel voorzichtig het haakje uit de bek van het wanhopige dier, en liet het beestje in een ijzeren net vallen, dat in het water hing.
Zo ving hij een aantal vissen, meestal. Een stuk of vier, vijf. Maar het kunnen er ook meer geweest zijn.
En op het einde van de dag, als we stopten met vissen, dan haalde hij dat ijzeren net uit het water, opende de klep en gooide de vissen terug de vijver in.
Dan vond ik hem een hele held. Dat wist ik toen al. Het teruggooien van die vissen was een heldendaad. Om een of andere reden. Ik wist niet precies waarom. Maar het was het wel.
En ik huiverde voor de tweede keer die dag, terwijl we daar zo samen naar het water staarden, hij met zijn visbak en de viszak over zijn schouder, en ik met mijn koude benen in mijn blauwe vuile botten, terwijl we de vissen spartelend hun leven zagen verderzetten in het vuile water van het Arendsnest.
En uren later, heel veel later, want als kind vond ik dat die namiddagen vaak oneindig lang duurden, kwamen we terug thuis, ik en mijn vader.
We laadden dan alles uit, zetten het netjes in de garage, en liepen traag en uitgeput naar de deur van de veranda. Daar deden we ons botten uit en zetten ze op een stuk krantenpapier dat al klaarlag.
In de keuken stond mijn moeder, en die vroeg altijd: En, beten ze? Vandaag niet, maar volgende keer wel, zei mijn vader, en dan knipoogde hij naar mij. Het was een geheim, tussen mij en mijn held.
Ik moet dringend nog eens naar dat Arendsnest. Kijken of het er nog is. En het gele ruisende riet, de eenden en de witte betonnen balken van de afsluiting rond het water.
En als er dan een visser is, dan ga ik heel stilletjes op hem toelopen.
Dan wacht ik eerst even. Een paar minuten.
En dan, dan vraag ik het, maar niet te luid:
‘En, bijten ze vandaag?’
Ik huiver nu al.
Jan De Palmeneire

De visclub ‘Om Ter Grootst’ is opgericht in 1960 en is vandaag nog altijd actief aan de visvijver van het Arendsnest. De club wordt draaiende gehouden door een groep vrijwilligers die een klein chalet uitbaten om de kosten te dekken. De club is enkel op maandag open om te vissen. Vrijdags kan men nog in het chalet gezellig samenzijn om te kaarten. Geïnteresseerden kunnen op maandag altijd eens langskomen om kennis te maken.





Opmerkingen