Verboden op de werf te komen!
- Joris Van der Mueren

- 1 dag geleden
- 5 minuten om te lezen
Kerkske van den Elsdonk

Jarenlang waren het voormalig parochiehuis en de pastorij de enige woningen op het toen nog rustige kerkplein op den Elsdonk. Vele jonge gezinnen bouwden moderne woningen en villa's op de velden langs de overkant van de grote baan. Er ontstonden echte woonwijken en de parochie van de Heilige Familie werd almaar groter. Het kerkske van den Elsdonk zat elke zondag eivol en er waren wel vier of vijf misvieringen nodig om al dat jonge volk hun zondagsplicht te laten vervullen. Het oubollige parochiehuis was ook niet meer van die tijd en de kerkfabriek had besloten om langs de overkant van het plein, naast de grote feestzaal, een gloednieuw ontmoetingscentrum te bouwen: Elzenhof.
Ook het oude gebouw kreeg een nieuwe bestemming.
Schoenhandel Familia lag in het groen
Mijn ouders waren met hun jonge kroost nog maar net op 'den Elsdonk' komen wonen. In de Leroylaan hadden ze een mooi villaatje gevonden met zicht op de groene weides. Het stulpje werd prompt 'Lentegroet' gedoopt, naar een gelijknamig pianostuk dat mijn vaders vader ooit had gecomponeerd.
Mijn moeder, die als verkoopster en gerante haar sporen had verdiend in gerenommeerde modehuizen in Antwerpen en Brussel, droomde al langer van een eigen zaak. Schoenen, daar zou wel veel nood aan zijn bij al die kinderen van de vele nieuwe families, en ook hun moeders zouden zeker te verleiden zijn met een nieuw paar 'laque'-sandaaltjes of suède pumps.

Begin jaren zestig ging schoenhandel Familia open op het kerkplein, met mijn moeder als enthousiaste onderneemster. De winkel lag echt midden in het groen en was, vooral in de winter, nauwelijks bereikbaar. De straat was een asseweg vol plassen. Op een grauwe zondag reed menig automobilist zich vast, nadat hij een plaats had gevonden in de drassige weides.
Werken aan het kerkplein

Mijn moeder kon haar geluk dan ook niet op wanneer er enkele jaren later besloten werd het plein aan te leggen met geasfalteerde wegen en een heuse parking. Het vernieuwde plein werd natuurlijk aantrekkelijk voor nieuwe bebouwing en op een dag zagen we dat er grote plakkaten werden geplaatst op de weides tussen onze winkel en de Prins Boudewijnlaan. Er zou een spiksplinternieuw appartementencomplex worden gebouwd, met op het gelijkvloers plaats voor allerhande handelszaken. De werkzaamheden zouden uitgevoerd worden door een aannemer, Verbert genaamd. Even dacht ik nog dat het familie zou zijn van mijn moeder, daar ze dezelfde achternaam had, maar die eindigde op DT en niet op een T. Een klein detail waar ze zelf nogal zwaar aan tilde, want de Verberdten met DT waren dun bezaaid. Al gauw werd de mooie weide herschapen in een echte bouwwerf. Het wandelpaadje dat de wei in tweeën sneed, werd afgesloten en bomen verdwenen. Een grote graafmachine maakte een enorme put en vrachtwagens reden af en aan om het uitgegraven zand weg te voeren. Misschien vinden ze nog een schat, hoopte ik, want mijn vader had ooit verteld dat er op het einde van de Parklaan in een ver verleden een kasteeltje had gestaan. Je kon nooit weten dat de edelman die daar had gewoond zijn fortuin, uit angst voor de vele roversbendes die lang geleden onze streken onveilig maakten, hier ergens had verstopt. Misschien dat er na zijn dood, bij gebrek aan erfgenamen, nooit iemand nog had gezocht naar al dat goud en die juwelen van deze rijke graaf of baron. Ik had nogal veel fantasie in die tijd. Stenen en zand was het enige wat er boven werd gehaald; helaas, geen schat.
Verboden op de werf te komen

Nadat de funderingen waren uitgegraven, kon de bouw beginnen. Betonmolens, betonijzers, bakstenen, cement – alles was aanwezig. Bruingebrande mannen in ruime overalls werden ’s morgens in een busje aangevoerd. Ze spraken een raar taaltje dat ik al wel eens had gehoord tijdens onze vakantie aan zee. 'Die mannen komen uit de Vlaanders,' zei mijn vader wijs. Hij kende vele dialecten, daar hij door zijn functie als verzekeringsinspecteur overal in het Vlaamse landsgedeelte kwam. 'Daar zitten goede stielmannen,' ging hij verder. Dat er in het Antwerpse al dan niet goede stielmannen woonden, daar sprak hij zich niet over uit. Ik denk dat hij dat ook niet zo goed wist, want mijn vader was niet erg technisch. De werkzaamheden gingen goed vooruit. Elke dag na schooltijd zag je dat ze steeds hoger opschoten. De ruwbouw vorderde snel. Verschillende mannen stonden de stenen te voegen, terwijl anderen de gevel bekleedden met grote lappen waarop kleine blauwe steentjes kleefden. Dat gaf het gebouw een moderne 'look'. Toen de arbeiders na hun dagtaak werden opgepikt, ging ik met enkele vriendjes al eens een kijkje nemen in de ruwbouw van het appartementencomplex. Het bordje met daarop 'Verboden op de werf te komen' maakte ons bezoek alleen maar spannender. Via de smalle draaitrap gingen we helemaal tot op de tweede verdieping. Het voelde zo een beetje of het appartement van ons was. Het was immers op onze wei gezet. Tegen de zomer van 1969 was de bouw af. De kraan werd afgebroken en al de rommel werd opgeruimd. In september openden de kersverse winkeliers hun gloednieuwe zaken.
Winkelparadijs op kerkplein

Onze naaste buur werd een dagbladhandel en kreeg de naam Lectural. Daarnaast werd een bijhuis van bakkerij Teugels geopend, een bekende speler op de markt van brood en patisserie in het Antwerpse. Verderop op de hoek, net tegenover de kerk, verscheen een kledingwinkel met de ronkende naam Rivoli. Langs de kant van de Prins Boudewijnlaan kwam er nog een filiaal van Het Spaarkrediet, een stoffenwinkel met de toepasselijke naam Knip, een zaak in wijnen en likeuren en een fonoplatenwinkel. De omgeving rond het kerkplein werd zowaar een echt winkelparadijs. De mensen kochten toen nog veel lokaal. Grote winkels vond je enkel in de stad en de meeste mensen op den Elsdonk en het Molenveld kochten in een van hun buurtwinkels. Schoenen kocht je bij Familia, kleding bij Rivoli of Marly op het Philippe De Monteplein en turnsloefen en voetbalschoenen bij de schoenmaker op de Parantplaats. In de loop der jaren veranderden de zaken regelmatig van eigenaar en ook de waren die er werden aangeboden, waren niet altijd dezelfde. Een dieetwinkel, een kaaswinkel, een videotheek, een cadeauwinkel – het is er allemaal geweest op en rond het kerkplein. Van de zaken die er destijds gestart zijn, schiet er geen enkele meer over. Door de komst van het internet en de grote winkelketens werd het alsmaar moeilijker voor die kleine winkeltjes om te overleven.
Het dorp, ik weet nog hoe het was …
Joris



