Van Napoleon tot luiewijvenknop


Op een mooie zomerdag bracht Pascale Mertens een grote, ingekaderde foto met café Den IJzer en daarop 9 personen, naar het archief. Het was een vergroting van een postkaart, met daarop haar overgrootmoeder, Anna Verpoten, uitbaatster van het café. Niets deed vermoeden dat het een explosie teweegbracht aan herinneringen en straffe verhalen. Maar laten we beginnen bij ene Andreas Verhulst.
Stamvader Andreas en de eerste generaties Verhulst
![In de afbeelding werden enkel de personen weergegeven die in het verhaal vernoemd worden. Voor de meer volledige genealogie wordt verwezen naar Geneanet[i].](https://static.wixstatic.com/media/4f4777_0c54aae94b0248cf93a7238dd4461afd~mv2.png/v1/fill/w_980,h_398,al_c,q_90,usm_0.66_1.00_0.01,enc_avif,quality_auto/4f4777_0c54aae94b0248cf93a7238dd4461afd~mv2.png)
Andreas Verhulst, geboren in Waarloos, kwam in 1777, hij was toen 14 jaar, naar Edegem, waar hij de metsersstiel leerde.[ii] Op zijn 21ste trouwde hij met de 23-jarige Mortselse Maria Magdalena Hendrickx. Het koppel kreeg 10 kinderen en woonde in de Dorpstraat tegenover de pastorij (perceel 145a; vandaag ter hoogte van Strijdersstraat 35). Van die 10 is het Petrus Franciscus, geboren op 1 juli 1802, die in Edegem generaties lang afstammelingen zal hebben met de achternaam Verhulst. Hijzelf was, zoals zijn vader, metser, maar leerde ook de stiel van schoenmaker. Veelzijdig als hij was, hielp hij ook bij ondermeer boer Crouwels in de Terelststraat (vandaag Oude Terelststraat 30-36). Zoon Petrus Franciscus, zijn echtgenote Anna Catharina Asselberghs en hun 8 kinderen woonden wat verder in de Dorpstraat, in een steegje achter wat vandaag de Strijdersstraat 43-47 is (perceel 156a). Van die acht kinderen werd er een naar zijn papa genoemd, Petrus Franciscus junior, en die legt de basis van welstellendere generaties Verhulst. Hij was schoenmaker, maar ook herbergier in de iconische herberg de Roetaard[iii], vandaag ter hoogte van de Strijdersstraat 30-32. Hij combineerde dat met zijn schoenmakerij. Hij trouwde met Anna Maria De Ruysscher en samen kregen ze zeven kinderen (waarvan er 5 jong overleden).

In 1865 kocht het gezin Verhulst-De Ruysscher een huis met een schuur in de Dorpstraat nummer 17 (perceel 141a; vandaag ter hoogte van Strijdersstraat 23-27), verhuisde en nam de naam van de herberg mee: de Roetaard. Het werd een schoenmakerij en Petrus Franciscus junior was ook als landbouwer actief. In 1883 kwam de tuin achteraan erbij (perceel 140a). In het Groot Edeghems veld kochten ze een perceel landbouwgrond (perceel B129; dat later doorsneden werd door een spoorlijn en vandaag de Boniverlei is). De grond lag ten noorden van wat vandaag de Schapenweg is. In 1889 overleed Petrus Franciscus junior en toen begon een heel nieuwe periode in de Verhulst-dynastie.
Anna Verpoten, de sterkhouder van de familie Verhulst

Franciscus Eduardus ‘Eduard’, zoon van Petrus Franciscus junior en Anna Maria De Ruysscher, trouwde met Anna Verpoten, een Oelegemse geboren in 1864. Zij woonden in zijn ouderlijke woning, Dorpstraat 17, en kregen 5 kinderen.
Na het overlijden van Petrus Franciscus in 1889 werden de eigendommen verdeeld tussen Eduard en zijn broer August; het huis ging naar Eduard, de landbouwgronden werden verkocht. Kort nadien verkocht het echtpaar Verhulst-Verpoten het huis en verhuisde naar de Dorpstraat 1.

Eduard en Anna bleven landbouwers en Eduard won in 1891 zelfs een opdracht van de gemeente om de straten te reinigen.
“Na … 1745 wordt het haast anderhalve eeuw volledig stil op het stuk der openbare reiniging. Pas op 22 februari 1891 ontmoeten we dan weer een “soumissie voor reiniging der straten en zinkputten”. De straten die de gemeente dan wil laten reinigen zijn de Dorps-, Kontichse, Molen-, Hoofse, Boerenleger- en Doelveldstraat. Elke maand dienen die straten geveegd, en zulke schoonmaakbeurten moeten ze zo mogelijk krijgen tegen grote feesten. De “kleine bassins” moeten alle 3 maanden, de grote alle jaren schoongemaakt worden. Straatmest en vuilnis horen aan de aannemer toe, die er op eigen kosten een stortplaats, buiten het gezicht van het publiek, voor zoeken moet. Voor de rest van het lopende jaar, te beginnen op 1 april, bleef Eduard Verhulst, die het laagste bod van 175 Fr deed, de pachter of aannemer.”[iv]
Eduard overleed echter in 1899, 42 jaar oud, aan longtering. Anna Verpoten hertrouwde in 1900 met landbouwer Joannes Josephus ‘Jef’ Hofkens en ze kregen samen nog een zoon, Karel (later een meubelmaker en een bekend duivenmelker in de Victoriastraat).


In 1917 scheidden de wegen van Jef Hofkens en Anna Verpoten. Jef ging wonen in Herberg De Kroon en overleed er ook in 1934. Anna verhuisde met de hele familie naar de Florent Geversstraat. Daar begon voor hen een heel nieuw hoofdstuk.
Café Den IJzer
Anna Verpoten begon op de hoek van de Heldenstraat en de Florent Geversstraat café Den IJzer (naar de rivier die een belangrijke rol speelde in WO I). Rond 1917 was dat; ze was toen 52 jaar. De kinderen vestigden zich in de buurt van het café en gingen wonen in de Florent Geversstraat of in de Heldenstraat. Haar dochter Leonie bijvoorbeeld woont met haar man Eduard Wyten en dochter Philomena in de Heldenstraat 37 (vandaag 27), die ook hun eigendom zal worden.

In 1931 gaat Anna Verpoten met haar zoon Karel bij haar dochter Leonie wonen aan de overkant, Heldenstraat 37.
Ze begon te sukkelen met haar gezondheid en schakelde buurvrouwen in om het café open te houden. Maria Henrica ‘Mit’ Anthoni-Stoop, herbergierster, kende ze nog van vroeger en zou er een paar jaar instaan. Gaby Van Kets-Van de Weyer was de laatste herbergierster van Den IJzer. Het café sloot definitief in 1941[v].
Maar niet zijn deuren!


Op haar 73ste, in 1937, schreef Anna deze postkaart, waarop ze zelf opstond, naar haar kleinzoon Albert Schepers en meldde ze: "Ik kom niet goed vooruit van wandres."Wat zoveel betekent als: "Ik kom niet goed vooruit door allerlei kwaaltjes of lichamelijke ongemakken."
De postkaart zelf dateert van de periode 1934 (toen Mit Stoop terug in de Florent Geversstraat kwam wonen) en 1937 (de afstempeldatum van de postkaart).
Anna overleed in 1945; ze was 80 en kreeg een indrukwekkende begrafenis.
De achterkleinkinderen van Anna Verpoten spreken vandaag nog altijd over hun overgrootmoeder die op handen werd gedragen.

“Halfgesloten rolluiken. Een baldakijn aan de woning. Een uitgebreide rouwstoet. Mensen in plechtige kledij. Dat was toch een chique begrafenis”, merkte Herman verwonderd op.
‘Kruideniers Winkel Verhulst Leonie’, een geschiedenis op zich

In 1926 was Anna’s dochter Leonie komen wonen in de Heldenstraat 37 (vandaag 27), recht tegenover café Den IJzer. Ze was intussen getrouwd met dokwerker Eduard Wyten en zij hadden een dochter, Philomena. Op 14 april 1932 richtte ze daar een winkel op met als naam ‘Kruideniers Winkel Verhulst Leonia’[vi].
Het familiearchief biedt een uitzonderlijke inkijk in het productaanbod van de winkel: wat mocht worden verkocht, maar tegelijk ook wat niet mocht worden verkocht zonder een extra toelating. Het standaardaanbod was meel, rijst, griesmeel, peulvruchten, suiker, zout en stroop, specerijen en kruiden, koekjes, beschuit en andere houdbare eetwaren; zeep, stijfsel, kaarsen en andere huishoudproducten.
De kruidenier mocht geen verse producten verkopen.

Op 18 oktober 1940 vroeg en kreeg Leonie de toelating om bijkomende producten te verkopen in haar winkeltje, zoals: groenten, patatten, breigoederen, mercerie, pantoffels, vleeswaren, boter, tabak, wijnen, likeuren, bier, limonade, melk, chocolade, eieren, ondergoed, crème-glace, kaas, fruit en brood.
Vermoedelijk besloot de familie om in 1941 een andere weg in te slaan. Het café sloot en de kruidenierswinkel van Leonie verhuisde van de Heldenstraat 37 naar de overkant, Heldenstraat 32 (vroeger Florent Geversstraat 60, café Den IJzer). Anna Verpoten, zoon Karel en het gezin Wyten-Verhulst verhuisden mee naar de bovenverdiepen.
Vanaf 26 november 1946 kreeg ze de toelating om in de kruidenierswinkel ook wild en gevogelte te verkopen.

Leonie werd erg bekend in de omgeving. Niet omdat er reclameborden hingen of een opvallende naam boven de deur stond, maar omdat Leonie Leonie was.
In 1960, ze was toen 66 jaar, liet ze de winkel over aan haar dochter Filomeen Wyten, getrouwd met Jos Meulemans.
Leonie Verhulst overleed in 1978; ze was toen 84 jaar en wordt herinnerd als een sterke vrouw met een oog voor zaken. Ze heeft de winkel grootgemaakt en was erg zorgzaam, getuigt haar enige kleinzoon Herman Meulemans, die jaren met zijn ouders boven de winkel gewoond heeft.
Herman Meulemans mijmerde: “De Verhulstjes mogen dan wel in de Heldenstraat en Florent Geversstraat hebben geleefd en gewerkt. Iets in de diepte zegt me dat ze opgegroeid zijn op een boerderij. Ik weet niet wat het is, maar als ik boodschappen doe in het dorp, leidt mijn onderbewustzijn me naar de Loze Gaanweg. Dan fiets ik door dat steegje en ik hoor mijn grootmoeder Leonie zachtjes fluisteren dat ze daar de mooiste tijd van hun leven hebben doorgebracht op de boerderij, die er al lang niet meer is.”
Dat zou wel eens de nagel op de kop kunnen zijn geweest, Herman!
Wyten Voeding: de laatste generatie

Filomeen Wyten kreeg op 25 februari 1960 de toelating om ondermeer alle koloniale waren (koffie, thee, cacao, peper, kaneel, nootmuskaat en andere ingevoerde specerijen, …), vooraf verpakte vleeswaren, diepvriesvlees, onderhoudsproducten, alle niet-bederfelijke viswaren, alle confiseriewaren (snoepjes, karamellen, pralines, marsepein, zuurtjes, …), gebak, zuivelproducten, geriefartikelen (zeep, kaarsen, lucifers, borstels, emmers, sponzen, papierwaren, …), textiel, brandstoffen, consumptie-ijs en frisco, plastiek- en bijouterieartikelen, glas en aardewerk in de etalage te zetten. Een enorme uitbreiding was dat.
Haar zoon Herman, die er regelmatig kwam helpen tijdens de middagpauzes van het college, herinnert zich nog dat vrouwen in het winkeltje luiewijvenknoppen kwamen kopen. Een drukknop of pression dus, lachte Herman. De winkel was een ontmoetingsplek. Mensen kwamen er niet alleen om boodschappen te doen, maar ook om een praatje te slaan. Het omgaan met klanten in de winkel was voor hem zijn sociale universiteit.
Maar het werd moeilijk voor de buurtwinkels. De intrede van de supermarkten, zoals de Jawa vlakbij, … Filomeen zette de winkel met veel inzet voort, maar kreeg te maken met omstandigheden die fundamenteel anders waren dan die van haar moeder. Bijna 20 jaar hield ze stand. Na bijna 50 jaar, einde de jaren ‘70, werd de winkel gesloten, een einde van een tijdperk. Tien jaar later werd het hoekhuis verkocht.
Het huis (kadaster sectie B, perceel 95E7) kreeg in de loop van de jaren meerdere adressen. Zo was café Den IJzer gelegen aan de Florent Geversstraat 60; de kruidenierswinkel was in de Heldenstraat 32. De laatste decennia was het adres van de winkel Heldenstraat 20, maar dat huisnummer bestaat niet meer. Vandaag is het privéhuis terug aan de Florent Geversstraat, maar met huisnummer 54.

Jos Meulemans, man van Filomeen, was een publiciteitstekenaar. Hij maakte in de jaren ’60 meerdere pentekeningen die verschenen in Band, het blad van de Edegemse middenstand. Daarin wordt de winkel van zijn echtgenote Filomeen Wyten nog vermeld.
Toen Leonie met haar gezin, moeder en halfbroer in 1941 verhuisde naar de overkant, kwam haar zus, Lucie, in de Heldenstraat 37 wonen. Zij was getrouwd met beenhouwer Jef De Leebeeck en het echtpaar transformeerde de vroegere kruidenierswinkel van Leonie in een beenhouwerij. Voor Herman is de herinnering aan de beenhouwerij onlosmakelijk verbonden met één opmerkelijke gewoonte. Wanneer tante Lucie de wekelijkse rosbief bereidde, werd het bloed dat uit het vlees kwam zorgvuldig opgevangen. Vervolgens kreeg de kleine Herman een tas daarvan voorgeschoteld. Hij moest het opdrinken. Niet als straf, integendeel, hij zou er sterk van worden. Het was goed bedoeld, maar voor hem was het een onuitwisbare horrorbeproeving.
Na het overlijden van beenhouwer Jef in 1959 werd de beenhouwerij verkocht aan het echtpaar Caluwé-De Boeck.
Maria van Louis van den Bonne

Petrus Ludovicus ‘Louis’ Verhulst, getrouwd met Josepha Maria ‘Finne’ De Clercq, is een zoon van Anna Verpoten en dus een broer van Leonie en Lucie. Hij staat bekend als Louis ‘van den Bonne’. Louis was een verwoed en succesvol duivenmelker[vii]. Als hij ergens ging wonen, moest er een duivenkot bij of de verhuis ging niet door. Zo was zijn vrouw Finne dienstmeid bij een rijke man op de Belgiëlei en toen ze trouwde met Louis mocht die erbij komen wonen, maar hij moest er een duivenkot kunnen bouwen. Wat ook gebeurde. Jaren later waren aan dat gebouw nog altijd de sporen van dat duivenkot te zien.
Ook in Edegem, aan de Herfstlei 45, moest er een deftig duivenkot in de tuin staan. En vanzelfsprekend was hij lid van de Duivenbond met de Volkslust als thuisbasis.

![Foto 1: Louis aan zijn duivenkot; foto 2: met collega-duivenmelkers van de Duivenbond in café De Volkslust – Louis uiterst rechts, Vic Baetens[viii] derde van rechts (collectie Pascale Mertens)](https://static.wixstatic.com/media/4f4777_88a659f862ba4fb981cb8ab496607a8c~mv2.jpg/v1/fill/w_980,h_616,al_c,q_85,usm_0.66_1.00_0.01,enc_avif,quality_auto/4f4777_88a659f862ba4fb981cb8ab496607a8c~mv2.jpg)
Van Louis herinnert Herman Meulemans zich vooral één merkwaardig detail: het krantenpapier in zijn schoenen. Na een ernstig liftongeval op zijn werk bij verhuizers Arthur Pierre waren zijn tenen en een deel van zijn ene voet afgekapt. Om zijn schoen op te vullen, liep hij jarenlang rond met opgevouwen krantenpapier. Voor een kind was dat een raadselachtig en onvergetelijk beeld. Toch is het niet dat ongeval dat Louis een plaats gaf in de familiegeschiedenis.

Louis en Finne hadden twee dochters, Philomena en Maria. Maria trouwde met Willy Mertens en het was hun dochter Pascale die de historische bal aan het rollen bracht.
Maria was bekend als ‘Maria van Louis van den Bonne’. Het vernoemen van de afstammingslijn i.p.v. de achternaam zie je veel in Edegem en elders, maar voor ‘Bonne’ lijkt er geen verklaring te zijn; de vader van Louis was Eduard Verhulst.
Maar breed in de familie was het verhaal ingeburgerd dat ‘Bonne’ kwam van Bonaparte, Napoleon Bonaparte. En dat een voorouder voor het leger van Napoleon gediend had. Alleen hoorde Napoleon bij het begin van de negentiende eeuw. De familie leefde in het twintigste-eeuwse Edegem. De afstand leek simpelweg veel te groot. Jarenlang werd daar wat lacherig over gedaan.
Tot we in de archieven doken[ix].

Stamvader Andreas had tien kinderen, waaronder Joannes Baptista, broer van de hierboven gevolgde afstammingslijn van Petrus Franciscus senior. Hij werd gedoopt op 8 oktober 1786 in Edegem. Hij was op dat moment de oudste zoon en werd opgeroepen voor het leger van Napoleon. Hij was een van de tien opgeroepenen van Edegem en toegewezen aan het 50° Régiment d'Infanterie de Ligne-korps. Het korps vocht van 1805 tot 1808 in Duitsland bij Ulm, Scharnitz, Erfurt, Jena, Magdeburg, Eylau en Friedland. Van 1808 tot 1812 was dit regiment in Spanje en Portugal en nam het deel aan gevechten bij Baños, Ciudad-Rodrigo en Redinha. In 1813 was het opnieuw in Duitsland, waar het deelnam aan de veldslagen bij Lutzen, Bautzen, Dresden en Hanau. In 1814 vocht het regiment in Frankrijk bij Toulouse, Champaubert, Montmirail en Vauchamps.
Nadien kwam hij terug naar huis; hij was toen 28 jaar. Hij verhuisde naar Antwerpen en zou er trouwen met Maria Catharina Van Offel. In 1857, een jaar voor hij overleed, kreeg hij nog de Médaille de Sainte-Hélène(Sint-Helenamedaille), een Franse herdenkingsmedaille die in 1857 werd ingesteld door Napoleon III, de neef van Napoleon Bonaparte. Ze werd toegekend aan alle nog levende veteranen die tussen 1792 en 1815 onder Franse vlag hadden gevochten tijdens de Revolutionaire en Napoleontische oorlogen[x]. Het was die medaille die Herman nooit losliet; hij had ze ooit gezien. Geen gouden onderscheiding of blinkend ereteken, maar een eenvoudige bronzen of ijzeren medaille.
Hoewel er geen rechtstreekse voorouderlijn loopt naar de Napoleonstrijder, kon Maria van Louis van den Bonne wel verwijzen naar haar betovergrootoom Joannes Baptista, die vocht in het leger van Napoleon Bonaparte.
Voor Pascale Mertens en Herman Meulemans is het hun oud-oom.
Nawoord
Wat dit verhaal uiteindelijk zo bijzonder maakt, is niet de Napoleontische soldaat of de verdwenen medaille. Het bijzondere is hoe individuele herinneringen, archiefstukken en oude foto's samen een verdwenen werkelijkheid opnieuw zichtbaar maken. Een vergunning uit 1932. Een ingekaderde postkaart van een café. Een begrafenisalbum. Een herinnering aan een tas bloed van een rosbief.
Geschiedenis die niet verborgen zit in verre paleizen of op slagvelden van keizers. Soms leeft ze gewoon verder in een vergeten doos op zolder, wachtend tot iemand opnieuw het deksel opent en de verhalen laat spreken.
Onlangs kwam Herman nog eens bij zijn stamcoiffeur, Freddy, in de Doelveldstraat, waar hij al decennialang komt en een afspraak maakt met zijn voornaam. En vroeg: “Zeg Freddy, weet jij eigenlijk hoe ik met mijn achternaam heet?”
“Awel, natuurlijk”, zei Freddy, “van den Bonne, hé, Herman van den Bonne”.
Zonder woorden …
Peter Crombecq, november 2026
Met dank aan Herman Meulemans, Pascale Mertens, Maurits en Monique Lierman-Fonteyne voor de tip, Erik Laforce en alle medewerkers van het Historisch Archief.
Dit verhaal is een bijdrage aan “Edegems verleden, bewaard voor de toekomst” van het Historisch Archief Edegem. Het Historisch Archief is toegewijd aan het behoud van het papieren en digitale geheugen van Edegem. Door het verzamelen, inventariseren en digitaliseren van documenten, boeken, foto’s, tijdschriften, plannen en meer, zorgt het Historisch Archief ervoor dat de geschiedenis van Edegem bewaard blijft voor toekomstige generaties.
Disclaimer
Het verhaal is gereconstrueerd op basis van een aantal bronnen. We zijn ons ervan bewust dat nieuwe informatie uit andere bronnen het verhaal kan aanvullen, nuanceren of aanleiding kan geven tot aangepaste inzichten.
Bronnen
[i] Geneanet, “PetCro Genealogie”, te raadplegen via https://gw.geneanet.org/petercrombecq_w
[ii] Belangrijke bronnen zijn de parochieregisters, de registers van de burgerlijke stand, de bevolkingsregisters en het kadaster.
[iii] Historisch Archief Edegem, Peter Crombecq, “De Zielenroerselen van Herberg De Roetaard”, te raadplegen via https://www.historischarchiefedegem.be/post/de-zielenroerselen-van-herberg-de-roetaard
[iv] Prof. dr. R. Van Passen, “Geschiedenis van Edegem”, (Edegem: Gemeentebestuur van Edegem, 1974), p.p. 869-870
[v] Historisch Archief Edegem, Fiches cafés2
[vi] Interviews met Herman Meulemans op 18 en 24 september 2026 & familiearchieven
[vii] Interview met Pascale Mertens op 15 oktober 2026
[viii] Historisch Archief Edegem, Peter Crombecq, “Herinneringen aan het Peetersstraatje: de getuigen”, te raadplegen via https://www.historischarchiefedegem.be/post/herinneringen-aan-het-peetersstraatje-de-getuigen
[ix] Den Zonneblusser, Willy Swiggers & Rik Bruloot, “De oud-strijders van Napoleon Bonaparte”, 2016/3, p. 132
[x] Interview met Herman Meulemans op 18 september 2026 die zich herinnerde dat de medaille in de familie circuleerde.




Opmerkingen